Voor mij doemt een stad op. Zou dit Santo Domingo de Calzada zijn? Mijn opgezwollen enkel klapt bijna uit mijn schoeisel. Is dit mijn laatste etappe op de Camino naar Santiago De Compostella? Ironisch zou het wel zijn. Ik voel me meer dood dan levendig. Anders dan de kip die tot leven kwam in de veertiende eeuw en geserveerd werd aan de rechter die een 18- jarige Duitse jongen veroordeelde tot ophanging. Het verhaal gaat namelijk dat ergens in de veertiende eeuw een Duits echtpaar samen met hun zoon in Santo Domingo verblijven, waarschijnlijk in het Parador. Ze zijn op weg naar Santiago De Compostella aan het einde van de Camino Frances. Tijdens hun verblijf wordt de zoon verleid door een meisje. De jongen gaat niet in op haar avances. Het meisje is teleurgesteld en beschuldigd de jongen van diefstal. De jongen wordt opgepakt door de plaatselijke politie en moet voor de rechter verschijnen. De rechter besluit de jongen te veroordelen met ophanging. De bedroefde ouders vervolgen ondanks het verlies van hun zoon hun reis naar Santiago de Compostela. Op de terugweg komen ze weer door Santo Domingo. Tot hun grote verbazing zien ze hun zoon levend aan de galg hangen. Ze rennen naar de rechter en vragen om gratie. De rechter zit op dat moment te eten en zegt gierend van het lachen tegen de ouders van de jongen en zijn tafelgasten: “Die jongen is net zo levend als deze gebraden kip!” Bij het uitspreken van deze woorden komt de kip op zijn bord tot leven, waarop de rechter besluit de jongen terug te geven aan zijn ouders. Een wonderbaarlijk verhaal.
Ik hoop op eenzelfde wonder. Al dagen loop ik met een dikke enkel. Maar de pijn die ik nu voel beloofd niet veel goeds. Ik vrees een zware ontsteking aan mijn enkelbanden. Als ik door de hoofdstraat de stad binnen loop zie ik mijn naam op een krijtbord staan dat voor de deur van een oude herberg staat. Zou ik hier ook Elin, een Scandinavische juriste waarmee ik in Logroño de oogstfeesten heb gevierd, weer tegenkomen? Mijn pelgrimsvrienden hebben een bed voor mij gereserveerd. Ze zitten al samen in de mooie binnentuin van de oude herberg, maar van Elin ontbreekt ieder spoor. De tranen branden in mijn ogen. Is dit de laatste dag dat ik met deze mensen op pad ga? Mijn emoties worden opgemerkt door mijn vrienden en ik neem plaats op een stoel. Ik trek mijn wandelschoenen uit en aan de reactie van mijn kameraden zie ik dat ook zij denken aan een vroegtijdige terugtocht naar Nederland. Mijn enkel is niet alleen dik, er is nu ook een flinke bloeduitstorting te zien. Ze adviseren me naar de dokterspost te gaan. Een hulpvaardige Spaanse hospitalero maakt voor mij een afspraak.
Die middag strompel ik door het oude stadscentrum naar de dokterspost. Ik kom langs het oude hotel Parador en de oude kerk waar een haan en een kip op de voorgevel staan. Hier heeft zich dus ooit dat wonder afgespeeld met de Duitse jongen. Ik loop naar binnen en steek een kaarsje aan. Daarna vervolg ik mijn weg naar de dokterspost. Niet de blessure of de hitte vertragen mijn tempo tot slentervaart, maar bang voor hetgeen wat de dokter gaat zeggen zorgen ervoor dat ik de weg zo traag mogelijk wil afleggen. Ga ik weer eens iets niet afmaken in mijn leven? Ben ik echt zo naïef geweest om zonder te trainen en mezelf goed voor te bereiden op deze reis te beginnen aan deze wandeltocht? Is deze blessure de boete die ik ervoor moet betalen?
Uiteindelijk arriveer ik dan toch in de huisartsenpraktijk en neem plaats in de wachtkamer. Al snel ben ik aan de beurt en de arts kijkt naar mijn enkel. Communiceren doen we via Google Translate want ik herken alleen het woord achilles op uit zijn woorden. Ik lees op zijn scherm dat ik zware pijstillers krijg voorgeschreven en dat ik twee weken rust moet houden. Twee weken?! “Tranquillo. Het herstelt wel, maar het is nu belangrijk dat je rust neemt. Kom een andere keer terug om jouw reis af te maken.” Ik krijg de medicatie en zijn assistent legt nog een steunverband aan. Ik bedank de dokter en gelaten wandel ik terug naar mijn herberg in het oude gedeelte van de stad. Mijn vrienden wachten mij op met een tafel vol met heerlijke tapas. Ik vertel ze het advies van de dokter. Ze zien er duidelijk aangeslagen uit, maar ik zie het eten en ik denk dat het beter is om van deze maaltijd te genieten en deze mogelijk laatste avond niet te laten verpesten door slecht nieuws. Morgen is er weer een nieuwe dag. Wie weet slaan de sterke pijnstillers wel aan. Ik neem ze, niet volgens receptvoorschriften, in met een lekker glas rode wijn. Ik besef me hoe mooi de afgelopen dagen waren en hoeveel kilometers ik al te voet heb afgelegd en vooral wat voor mooie ontmoetingen ik heb gehad. We hebben zelfs al afscheid genomen van enkele peregrino’s. Zij moesten allemaal de wandeltocht afbreken voordat ze Santiago de Compostella bereikten, maar waren allemaal vastberaden om de Camino ooit een keer af te maken.
Diezelfde avond vertelt de hospitalero ons het verhaal van de Duitse jongen en het meisje. Ik denk aan Elin en onze ontmoeting in Logroño. Ondanks dat er ook een bed voor haar gereserveerd was, is ze niet gearriveerd in de oude albergue. Ook ons contact zal eindigen als ik morgen besluit om mijn wandeltocht te staken. Het zal wellicht bij die ene ontmoeting blijven. Ik probeer nog niet aan morgen te denken, maar ik merk dat de medicatie ervoor zorgt dat verzetten tegen de slaap een onmogelijke opgave wordt. De ochtend zal snel aanbreken want mijn oogleden voelen zwaar. Zal ik me morgen weer kiplekker voelen? Zou ook in de 21e eeuw zich een wonder kunnen volstrekken? Ik droom die nacht over een tafel voor twee in een nog onbekende Spaanse stad ergens ver op de Camino Frances en het eten van gebraden kip bij kaarslicht.
Geef een reactie op Jeannete Schellekens Reactie annuleren