Curiosity
“Be a loner. That gives you time to wonder, to search for the truth. Have holy curiosity. Make your life worth living.” – Albert (Perkamentus) Einstein
Nooit zal ik ontkennen dat ik een dromer ben. Een dromer was ik al vanaf mijn geboorte. Voordat ik het licht zag moesten mijn ouders al lang op mij wachten, al was een plukje haar al snel zichtbaar, ik had geen zin om er zelfstandig uit te komen. Waarschijnlijk was ik nog in dromenland en wilde niet ontwaakt worden. Het was ook 04:44 in de ochtend. Laat me rond die tijd gewoon slapen moet ik toen al gedacht hebben. Waarschijnlijk was het buiten best aangenaam warm rond Pinksteren, maar het kwik zal nooit de 37 graden Celsius hebben aangetikt. Met een beetje hulp werd ik dan toch ontwaakt uit mijn droom. Rond 04:55, nog net voordat de zon opkwam, werd ik op 5 juni geboren. Mijn ouders werden voor de eerste keer mama en papa en wikkelde me in een gele badjas zodat ik snel weer verder kon slapen. In de uren daarna mocht ik kennis maken met mijn oma’s en opa, tante’s en ooms, neefjes en nichtjes. Een etmaal later werd ik naar huis gereden in een franse, geen gele maar grijsblauwe, Citroën en arriveerde in de Abel Tasmanstraat op nummer 12 in Dongen.
In een wijk vol met straatnamen van ontdekkingsreizigers, plunderaars en kolonisten, groeide ik op. Het is niet wonderlijk dat ik nieuwsgierig was geworden en droomde over exotische plekken waar Helfrich, Tasman, Stuyvessant en Doorman al eeuwen voor mij waren geweest. Die nieuwsgierigheid werd alleen maar gevoed door mijn liefdevolle ouders die het beste van twee werelden in zich hadden. Mijn moeder was creatief en zorgzaam, mijn vader had een rijke fantasie en belezen (plus goed in voorlezen). Ik at goed en dat bevorderde mijn groei. Het duurde wat langer voordat ik goede zinnen produceerde, maar ik kon me in dat eerste levensjaar wel goed concentreren als ik lag te droelen (contaminatie van het woord dromen en strelen) bij mijn ouders, tante’s en ooms, oma’s of opa, als ze een boek voorlazen of de afbeeldingen uit prentenboeken en reisboeken lieten zien. Daarnaast ontwikkelde ik me motorisch goed: ik hield toen al van wandelen en dat ging gepaard met een trommel om mijn nek of trompet op mijn mond. Eten, dromen, wandelen en muziek maken. Mijn evolutie was toen al bereikt zou je kunnen zeggen.
Ik groeide op en kon mijn geluk delen met een zus en een broer. We waren als de drie musketiers. Mijn zusje was dan wel een meisje maar gedroeg zich toen nog als een kwaaijong, om maar een lekkere Brabantse term eruit te gooien. Van mijn tante kreeg ik de bijnaam Pjoeh, later bleek dit een veelvoorkomende naam in China te zijn, en mijn oudere neven en nichten noemde me lange tijd Robje, wat ik verschrikkelijk vond. Misschien was die laatste bijnaam wel intrinsieke motivatie om groter te worden dan zij, dan zou ik snel een andere naam toegewezen krijgen. Ik werd soms geplaagd maar ik deelde ook uit. Het was niet meer dan teasen, zoals Chaka Demus en Pliers later bezongen, en daar was ik erg goed in. Jong en oud bezorgde ik graag een lag. Dit was ook allemaal mogelijk in de veilige omgeving waarin ik opgroeide. Ik was wereldkampioen in plagen en onthouden zouden ze weleens tegen mij. En die eretitel beschermde ik met verve.
Ik groeide niet alleen op met mijn broer en zus of overige familie. Die band was een bloedband. Ik had ook een hechte band met mensen uit de buurt. Met mijn buurjongens speelden we veldslagen na met playmobile en piratenschepen van lego vielen de soldaten op het Chateau d’If aan, met als doel Edmond Dantes te bevrijden. Over Alexander Dumas hadden we toen al “les” gekregen. Als we moe werden van het spelen lazen we strips van andere andere Asterix & Obelix tot het avondeten. Vaak mocht ik dan mee-eten en dan luisterde ik naar verhalen over Grieken en Romeinen. Het was als het boek filosofie en mythologie voor Dummies. Er bestonden toen al wel luisterboeken, maar nog zeker geen podcasts. En waar ik nu niet snel een podcast zal aanzetten smulde ik toen van het live theater, spoken word. Mijn buurman en buurvrouw wisten allebei even veel en vulde elkaar aan. Mijn buurman was de reïncarnatie van de stripheld die in een pan met toverdrank was verdronken en tijdens warme zomeravonden werd er ook werkelijk zwijn gegrild op houtskool. Veni Vidi Vici.
Mijn andere buurman in de Tasmanstraat liet me kennismaken met zijn Roland workstation keyboard. Hij was groot fan van Klaus Wünderlich en hij liet me verwonderen wat er allemaal uit zijn keyboard kwam. Hij speelde Swing Safari, Samba medleys en Evergreens alsof het hem geen enkele moeite kostte. Twee handen liet hij over witte en zwarte toetsen gaan en met zijn voeten kon hij registraties activeren waardoor een hele band uit de speakers tevoorschijn kwam. Gefascineerd zat ik naast hem op een stoel. Dit wilde ik later ook als ik groot genoeg was om met mijn ledenmaten bij de pedalen en toetsen te kunnen komen. Daarom besloot ik om me eerst bij de harmonie aan te melden en ik kreeg voor het eerst een kopere trompet in mijn handen. Dit was mijn instrument want ik kende het geluid goed door de langspeelplaten van mijn vader. De fusion van Miles Davis mocht van mijn moeder niet altijd gedraaid worden, daar werd ze zenuwachtig van, maar het hese trompetspel van Chet Baker kon ze wel waarderen. Zelf vond ik de brasssection van Mezzoforte geweldig, vooral het nummer Garden Party, maar ook op de tropische discohits All Night Long van Lionel Richie en Oye Mi Canto van Gloria Estefan and The Miami Sound Machine lette ik op de blazers.
Helaas bleken deze nummers niet op het repertoire van Dirigent Wilfried te staan, waardoor hij zonder legitieme reden bij mij op een lijstje kwam te staan van aartsrivalen. Wat was zijn repertoire droevig, zwaarmoedig en melancholiek. Wat ik niet kon begrijpen, want zijn vrouw, mijn trompetlerares, was een van de liefste en meest zachtaardige mensen die ik destijds ontmoeten. Gelukkig van haar mocht ik wel de Tabanera van Carmen trompetteren. Ik had muzikaal talent, maar optreden voor andere mensen vond ik verschrikkelijk door de spanningen. Menig keer kreeg ik op een podium geen noot geproduceerd en vaak stond ik al in de coulissen over te geven waardoor het optreden helemaal niet door ging. Het podium was op dat moment nog niet voor mij besteed. Ik speelde liever op de achtergrond mee in een harmonie, maar genoot meer van de schoolband en de jamsessions met mijn neven en zus, die erg goed bleek te zingen.
Zo kreeg ik gedurende mijn jeugd na schooltijd een helemaal op maat gemaakt buitenschoolsactiviteitenprogramma. BSO’s bestonden wel, maar in de omgeving waarin ik opgegroeide werd voor elkaar gezorgd. Ik had maar één vader en één moeder, maar ik had meerdere opvoeders. Die School of Life was mijn bron waaruit ik kon putten, een ontdekkingsreis op microschaal. Voor dit avontuur had ik geen reddingsvest nodig of een parachute. Voor deze flight to Neverland had ik geen elfenstof nodig en kon ik te voet maken. Mijn fantasie en creativiteit werden gestimuleerd en ik mocht zijn wie ik wilde zijn. Ik was de Dromer.
Veel zorgen had ik tijdens mijn jeugd niet. Behalve twee korte periodes waarin ik doodziek was. Een van mijn oudste herinnering is dan ook de eerste keer dat ik ziek werd. Waarschijnlijk was ik vier jaar oud. Een oorontsteking bezorgde me enorme hoge koorts die een lange periode bleef aanhouden. Hierdoor kreeg ik koortsdromen die iedere nacht terugkeerden. Ik kan me die dromen nog helder voor de geest halen. Ik werd in mijn terugkerende droom vastgehouden in een grot door een enorme reus. Hij had me vastgeketend en ik zat voor een kampvuur. Het was er heet en ik hield mijn ogen op het vuur gericht. De vlammen hypnotiseerde mij. De reus was enorm en zat aan de andere kant van het vuur, voor de ingang van de grot. Af en toe zag ik een glimp van het licht dat uit de ingang kwam. Los kwam ik niet en de droom bleef zich tijdens de periode dat ik met koorts op bed lag herhalen. Toen de koorts zakte ging de droom ook weg. Toch heb ik als kind nog lange tijd gedacht dat die reus zou terugkomen. Ik herinner me nog goed dat ik om onverklaarbare redenen soms kippenvel kreeg of een rare rilling. Iets wat ik nu nog wel eens heb. Naar bed gaan vond ik lange tijd spannend en ik stelde dat moment het liefst uit. In bed probeerde ik mezelf in slaap te sussen door verhalen voor mezelf te bedenken waarin ik meestal een reus versloeg op het einde.
De reus is later nog één keer teruggekomen, op elfjarige leeftijd. Die droom kwam terug tijdens een nacht dat ik in het ziekenhuis van Mittersil lag. Een onschuldige val tijdens een wandeltocht op een hoge alp had gezorgd voor een diepe snee in mijn knie en die wond was na een aantal dagen gaan ontsteken. Het was een ziekenhuisbacterie en het was goed dat ik die dag op controle moest komen. De infectie zorgde voor hevige koorts en ik moest naar een speciale afdeling. Ik was bang, als kind zal ik niet alles helemaal hebben meegekregen van het Oostenrijks-Duitse accent, om hetgeen wat ik zag. Op mijn kamer lage bejaarde mannen één voor één te wachten op de chirurgijn. Hun ledenmaten zouden snel gevoerd worden aan de wolven en beren die verbleven in Alpenzoo Tirol verderop in het Zillertal. Ook mijn ouders waren bezorgd. Ondanks het dreigende gevaar kwam het niet tot een amputatie van mijn rechterbeen, voor mijn geen Paralympische Spelen. Mijn voetbalcarrière kwam niet in gevaar evenals mijn droom om ooit op een keyboard te spelen zoals mijn buurman deed met al mijn ledenmaten. De oudere mannen die aan de overkant lagen in de ziekenzaal waren blij voor mij, ondanks hun eigen leed en het gemis van ledenmaten, gaven ze mij de zegen mee.
De rest van de zomer moest ik lopen met een spalk en steunkous. Mijn spieren in mijn rechterbeen waren verdwenen als sneeuw voor de zon. Mijn linkerbeen werd sterker. Ik zou mee doen aan de Dongense Zomerspelen, maar echt actief meedoen zat er niet in. Ik kon niet rennen en mocht niet zwemmen omdat mijn wond nog niet dicht was. Het maakte me verdrietig. Waar mijn vrienden wel levend stratego speelden tegen de leiding, vlotten bouwden van blauwe tonnen en houten palen, moest ik achter blijven bij de spullen. Het deed me extra pijn omdat het thema van dat jaar Indiana Jones was, één van mijn favoriete films van dat moment. Mijn moeder had een mooi outfit gemaakt, maar met gespalkte “houten been” kon ik Harrison Ford niet doen verbleken. Ik was zijn stand–in en stond aan de zijlijn toe te kijken. Misschien is dit de eerste periode in mijn leven geweest dat ik me meerdere dagen achter elkaar somber en verdrietig voelde. Het leek alsof die arts in opleiding van dat ziekenhuis in het Oostenrijkse Mittersil Mola Ram was en een stukje van mijn hart had geofferd en in de The Temple of Doom ritueel had verbrand. Mijn hart klopte nog wel maar het voelde leeg aan. Mijn omgeving zag dit ook en ik kreeg een extra dosis liefde. En die liefde hielp me uiteindelijk op de been.
Na de zomervakantie begon ik in groep acht en ik mocht uitgebreid vertellen over mijn ongeluk daar boven op die berg. Mijn vader en twee Nederlandse studenten hadden mij om en om naar het dichtstbijzijnde station van de kabelbaan gebracht. Een helse tocht voor de drie helden die mij in de hitte over een geitenpad naar boven droegen. Naar boven bleek de korte weg, maar het was ook meteen de zwaarste. Ik wilde lopen maar mocht niets anders doen dan zitten. Een van de jongens was Arts in opleiding aan de Medische Universiteit van Leiden en had goede EHBO toegepast. Bij aankomst kregen we voorrang om naar het dal af te reizen. En daarna volgde dus het hechten van mijn wond door een andere arts in opleiding. Mijn klasgenoten luisterde aandachtig en keken constant naar mijn ingepakte knie. Ze waren allemaal erg begaan en lief voor me.
School ging gewoon door en na schooltijd werkte ik aan mijn herstel. Mijn voetbalkuit was wel verdwenen en ik kreeg Caesar- en fysiotherapie om weer goed te leren lopen en spieren te kweken. Mijn groeispurt liet niet lang op zich wachten en ik kreeg van mijn moeder vaak een extra stuk gehaktbal of boomstammetje van Slager Ben van Loon. Na enige tijd mocht ik ook weer voetballen en aan het einde van de zomer ging de steunkous eraf. Ik zag mijn rechterknie voor het eerst sinds de val goed en ik kreeg een grote piratengrijns op mijn mond. Ik besloot ondanks het frisse weer nog een tijdje met een korte broek naar school te gaan. Dit litteken was stoer en het bewijs van een waargebeurd avonturenverhaal. Savvy?!?!


Plaats een reactie