De afgelopen nacht heb ik wakker gelegen door de storm die buiten het vuil naar zee blies. Het luik dat de ramen had moeten blinderen was los geschoten en bleef de hele nacht klepperen tegen het kozijn aan. Bij het inchecken van het hostel hadden ze ons al gewaarschuwd dat het de volgende dag moeilijk zou zijn op pad te gaan. De pas van Col Lepoeder zouden ze waarschijnlijk dicht houden waardoor je een lang stuk om moest lopen via de verharde autoweg. Een stuk minder mooi. De herbergier raadde het eigenlijk ook af om morgen te vertrekken. Dit bezorgde mij een onrust in mijn lijf. Mijn hart en hoofd waren met elkaar in conflict geraakt. “Waarom haasten als je nog niet op pad bent,” zei mijn hoofd? Mijn hart zei me: “Je bent al begonnen met deze toch toen je geboren werd.”. Saint Jean Pied De Port is een mooi stadje maar om daar nog langer te verblijven dan die middag en avond zag ik niet zitten. Het leek wel of de storm tegen me praatte en zei: “Morgen is jouw eerste etappe, de bergen roepen jou.”
Die avond had ik pas laat een slaapplek gevonden en dat betekende dat de gezamenlijke maaltijd al verdeeld was onder de gasten die wel op tijd waren gekomen. Daarom had ik na het installeren van mijn spullen op het onderste bed van een stapelbed ervoor gekozen om op zoek te gaan naar een restaurant. Al tijdens de blablacar lift van Bayonne naar Saint-Jean-Pied-De-Port begon het steeds harder te regenen. Overdag had ik nog met mijn blote voeten in de branding van het strand van Biarritz gestaan en aan Neptunes beloofd dat ik dit ritueel zou herhalen in Finisterre. Maar die belofte die ik aan Poseidon of Neptunes had gedaan begon per haarspeldbocht harder aan me te knagen. Waarom wilde ik ook alweer deze tocht lopen? Het zou toch goed weer moeten zijn halverwege september in deze contreien? Toen we arriveerde in het Franse dorp aan de voet van de Pyreneeën klaarde het weer gelukkig op. Een beetje duizelig van de bochten en verward omdat ik me niet goed kon oriënteren waar ik was stapte ik uit de auto. Ik bedankt de lieve forens die mij had afgezet en liep richting de kerktoren. Al snel zag ik mede pelgrims en volgde ze. Ze liepen naar een oud gebouw toe met een hele lage deuropening. Hierbinnen zaten nog oudere mensen achter antieke zware tafels. De ancestors van de Camino deelden stempelkaarten uit en een boekje met mogelijke etappes die als realistisch geacht werden. Vanaf dat moment werd de eed die ik eerder afgelegd had aan de zeegoden een verbond met het universum. This shit is gonna be real. Naast mijn doop, heilige communie en vormsel zou deze pelgrimstocht mijn vierde sacrament zijn. De dag verliep verder soepel met struinen door de kleine straatjes en ik kocht wat souvenirs, checkte me in bij de herberg en dat bracht me weer naar het nu, de zoektocht naar een restaurant.
Door de regen waren de ramen van de restaurants beslagen. Bij een klein Italiaans restaurant zag ik een tafel voor twee die vrij was. Ik nam plaats en bestelde een karaf rode wijn. Om mij heen zaten allemaal mensen met afritsbroeken en meridowollen truien, buffsjaaltjes en wandelschoenen aan. Mijn outfit bestond uit een spijkerbroek, sneakers en katoenen trui. In vergelijking met de andere gasten van het restaurant zou ik ook door kunnen als locale bewoner. Tijdens het drinken van mijn eerste glas wijn dacht ik na over de woorden van mijn ouders: “een camino loop je niet zomaar even, daar zit maanden, misschien wel jaren voorbereiding in.” Ik besefte me nu dat ze wel eens gelijk konden hebben. Mijn rugzak was loodzwaar, deze mensen aan de andere tafels zagen er duidelijke beter voorbereid uit. Een licht gevoel van stress bereikte mijn lichaam. Zou dit wel een succes worden? Op een leestafel zie ik een oude krant liggen en op de voorpagina zie ik het levenloze lichaam van een Syrisch-Koerdische jongen liggen in de branding van de Middellandse zee. Een luguber tafereel. Het artikel is in het Frans maar zijn naam staat wel vermeld: Alan Kurdu. Zijn vader wilde hem een betere toekomst geven. Voor hem zou die toekomst niet zijn op onze planeet. Waarom maken wij mensen het elkaar zo moeilijk? Ik verzink in mijn eigen gedachten.
De deur van het restaurant vloog open door de wind. In de deuropening zie ik een man staan die iets jonger is dan ik. Hij kijkt de zaal van het restaurant in, op zoek naar een tafel en zijn ogen blijven rusten op de lege stoel tegenover mij. Eigenlijk heb ik helemaal geen zin in sociaal doen. Ik merk dat ik moe ben en na het eten van mijn pizza en het opdrinken van deze karaf wijn gewoon snel naar mijn bed wil. Toch weet ik dan al dat deze man zo tegenover mij zal zitten. “Hi, can I join you?” met een licht Duits accent vraagt de man of hij mag zitten. Ik schuif de stoel naar hem toe en zeg; “Aber natürlich.” Hij spreekt de ober meteen aan en bestelt een hele fles wijn. De jongeman komt een beetje verstrooid en chaotisch op mijn over en ik vraag hoe hij heet. Ik zie een kleine aarzeling bij hem, alsof hij zijn naam niet wil prijsgeven of ter plaatsen een andere naam verzint, en dan stelt hij zich voor met de naam Chris. Hij schenkt mij een glas wijn in uit zijn fles en vraagt me vervolgens of hij zijn verhaal mag delen. Het liefst had ik gewild dat mijn pizza al op was en dit aanzoek kon afslaan, maar ik moet wel beleefd knikken. Alles heeft een reden.
Chris vertelt me dat hij een zoon is van Duits-Griekse horeca ondernemers. Zijn ouders hebben restaurants en een hotel. Chris is de oudste zoon en heeft de kans gekregen om economie studie af te ronden. Hij en zijn zus worden gezien als de logische opvolgers van het imperium. Echter is de twijfel bij Chris toegeslagen en voor de zomer is die twijfel de reden geweest voor een uitbarsting waarbij Chris heeft laten weten dat hij twijfels heeft of hij dit wel wil, een familiebedrijf runnen. Na die mentale inzinking heeft hij extra verlof aangevraagd om al zijn gedachten te verzetten. In drie en een halve week wil hij in Santiago de Compostela aankomen. Een strak schema dus.
Ik dacht na over zijn verhaal en herkende veel van de thema’s. Toen ik klein was wilde ik niets liever dan mijn vader opvolgen. Het was mijn droom om net als hij manager te worden van een groot IT bedrijf. Ik smulde van de momenten dat ik een extra vrije dag had van school of een voetballoze zaterdag en dat mijn vader me mee nam naar zijn bedrijf om mij aan iedereen voor te stellen en ik een korte introductie chipmaken kreeg. Alles wat ik in de fabriek zag was voor mij hocus pocus, pure magie, en mijn nieuwsgierigheid werd aangewakkerd. Ik genoot er van hoe mijn vader alle mensen begroette bij naam en ik zag dat hij gewaardeerd werd door zijn collega’s. Het voelde als een warm bad. Niets liever wilde ik dit pad ooit zelf bewandelen en ik wilde dan ook niets liever dan studeren aan een Technische Universiteit.
De eerste deceptie om dit doel te bereiken kwam toen ik van mijn juf in groep 8 een HAVO advies kreeg. Ik blok niet overal in uit, maar cijfers zeggen niet alles. Het laatste jaar had ik ook een flink deel van de lessen gemist door de val op mijn knie in de Oostenrijkse alpen en mijn ontwikkeling was iets gestaagd. Gelukkig zou ik op de middelbare school ingedeeld worden in een zogenaamde dakpanklas, de stof werd aangeboden op twee niveaus HAVO en VWO. Ik had moeite om mijn draai te vinden, mijn klasgenoten waren allemaal nieuw, dus richtte ik me vooral op mijn huiswerk. Ik haalde de hoogste cijfers van de klas en met kerst kreeg ik een telefoontje met de vraag of ik wilde doorstromen naar het gymnasium. Twijfels waren er bij mijn ouders, want die hadden mij nooit zien studeren, maar voor mij was dit een volmondige ja. Dit was mijn pad. Hiermee was de kans om toegelaten te worden op iedere universiteit van de wereld een stuk groter. Zo startte ik na de kerstvakantie in een nieuwe klas. Aanpassingsproblemen volgde en ik merkte ook op dat het niveau hier veel hoger lag. Ik moest leren studeren en dat was iets wat ik nog nooit had hoeven doen. Met talen had ik de meeste moeite en aan het einde van het jaar had ik een onvoldoende van Latijn en een dikke onvoldoende voor engels waardoor ik een stapje terug moest doen en na de zomer zou starten in Atheneum 2.
Ik aanvaarde de degradatie alhoewel ik het jammer vond dat ik nu de extra optie om arts te worden wel kon vergeten. In mijn nieuwe klas kwam ik een paar oude vrienden tegen van mijn basisschooltijd. De band haalde we meteen weer aan wat fijn was, maar er ook voor zorgde dat de focus niet altijd op het studeren lag. De vrije momenten die we hadden vulde we het liefst in met andere dingen, zoals gamen, hangen bij skateparken, nieuwe kleding kopen in de stad en kijken naar vrouwelijk schoon. Pubertijd. Mijn punten gingen achteruit en de alarmbellen gingen af op het moment dat het te laat was om nog bij te schakelen. Ik baalde van mezelf want dit resulteerde in de tweede degradatie op rij: ik zou na de zomer moeten starten in HAVO 3. En dat jaar begon met een rampzalige gebeurtenis voor de hele mensheid.
Op 11 september 2001 boorde twee passagiersvliegtuigen zich in de Twin Towers van het World Trade Centrum in New York. Het hart van het kapitalisme bloedde en was dodelijk geraakt. De hele economie stortte in elkaar en een wereldwijde crisis volgde. Islamofobie ontstond, want het westen beweerde dat de vrijheid van de mens was aangetast door een aanslag te plegen op het kapitaal. Een dubieuze constatering want was het niet datzelfde geld dat de mensheid juist opsluit in die grot van Plato. Was het niet het zogenaamd rijke Amerika dat ons allemaal de grootste vetste vis voor ogen hield? Hoe dan ook. De hele wereld stond op zijn kop. Angst voor aanslagen, angst voor het kwijtraken van je spaarcenten, angst voor het uiten van je mening, angst voor het verliezen van je eigen huis, angst voor het niet meer kunnen betalen van je rekeningen of zelfs je dagelijks aanbevolen hoeveelheid eten. De mensheid stond onder hoogspanning. En waar angst regeert is geen plaats voor liefde. De crisis bereikte ook Techstad Eindhoven en het bedrijf van mijn vader moest reorganiseren. Waar het in de zeven jaren daarvoor allemaal hosanna leek, kwam daar abrupt een einde aan door paniekvoetbal van de economische leiders die de wereldbeurzen leiden op dat moment. Mijn vader wilde voor zijn schaapjes gaan staan, maar hij werd zelf opgegeten door wolven.
Zo trof ik op 12 november 2001 mijn vader doodziek aan. Het was maandagochtend en ik was al thuis van school. Het was heerlijk om een keer alleen thuis te zijn dacht ik nog net voordat de deurbel ging, zo vaak kwam dit namelijk niet voor. Mijn moeder was nog overblijfjuf op de basisschool waar alleen mijn broer nog op zat, mijn zus zat in de brugklas en moest tot laat naar school, dus ik had het huis voor mij alleen. Ik zat op de computer en speelde rollercoaster tycoon en werd door de deurbel terug naar de realiteit gebracht. Door het raam naast de deur zag ik het gezicht van de directeur van het bedrijf van mijn vader. Mijn hart maakte meteen een extra sprong en ik kreeg warme en koude rillingen over mijn hele lijf. Met zwetende handen opende ik de deur. De directeur stond voor me en schuin achter hem stond een man. Na twee keer kijken herkende ik die gestalte. Het was mijn eigen vader. Ineengedoken, zijn huid grauw als as en trillende als een rietje kwam hij achter de directeur vandaan. “Het is me niet gelukt, ik heb gefaald, dit is opgezet spel, vertrouw me, ze luisteren niet meer naar mij.” Ik werd zelf lijkbleek. Wat was dit? Ik had de laatste dagen wel gemerkt dat mijn vader ander gedrag had vertoond: hij dronk meer, zoveel zelfs dat zijn vader, mijn opa, hem op zijn drinkgedrag had aangesproken en mijn moeder had beschermd. En nu stond ik daar als veertien jarige tegenover twee volwassen mannen die allebei niet meer de controle hadden over de situatie. De directeur vroeg me om contact op te nemen met mijn moeder, maar mijn moeder had in de tijd nog geen mobiele telefoon. Ik probeerde haar te bereiken via de school waar ze werkte en uiteindelijk kreeg ik iemand te pakken. Ik kon aan de telefoon niet helemaal duidelijk de urgentie van de boodschap duidelijk maken en in mijn beleving duurde het lang voordat mijn moeder thuis kwam. Bij haar thuiskomst stortte mijn vader helemaal in en brak de paniek en chaos uit. Een zwaar geëmotioneerde man liep helemaal leeg en zijn verdriet, woede en verslagenheid kwam toen bloot te liggen. In plaats van hem uit te laten razen werd er meteen contact gelegd met de huisarts, een dronkenlap eerste klas, die iets verderop in de straat woonde. De huisarts was snel ter plaatsen en na een korte inspectie en het vaststellen van de diagnose burn-out diende hij mijn vader een middel toe wat hem zou moeten kalmeren. Die avond begon de gekte pas echt. Het middel bleek de verkeerde verhouding te zijn en de overdosis zorgde ervoor dat mijn vader in een psychose raakte. De horrorshow startte toen pas. Mijn vader was zo van streek dat hij dreigde om zichzelf wat aan te doen en sloot zich op in zijn kamer, waar hij met een Parker balpen leuzen kraste in het linoleum van de vloer. Woedend ramde hij op de deuren en constant was hij op zoek naar mij om in een zwaar emotionele bui zijn excuses uit te spreken en dat hij zoveel van mij hield. Mijn moeder kon hem niet tegenhouden, daarvoor was mijn vader gewoon te sterk en belde voor hulp. Hulp was snel ter plaatsen. Familie woonde om de hoek en kwam toegerend om mijn vader in bedwang te houden. Een andere arts die de avonddienst had kwam polshoogte nemen en concludeerde dat het middel verkeerd was toegediend en diende snel een antistof toe. Dit middel versufte hem, veranderde hem in een kasplantje en hij werd door zijn broer op bed gelegd. Die nacht lag ik wakker, soms hoorde ik mijn vader huilen en dan hoorde ik hem weer op de gang lopen en de namen van mij en mijn broer en zus fluisteren. Steeds werd hij weer door iemand van de familie terug naar bed gebracht.
De weken die volgden waren spannend. Ik had het manuscript op de vloer naast zijn bed gelezen en daarin stond niet veel goeds omtrent zijn toekomst en die van de wereld. De man die als een zombie door het huis liep herkende ik alleen aan zijn donkergroene uitgelebberde pyjama. Het grootste verschil was dat mijn nieuwe vader geen oogcontact meer maakte en niets meer te vertellen had. Het zwijgen was hem opgelegd, waarschijnlijk mede door de antipsychotica en angstremmers. Hij zat er geslagen en op dat moment verslagen bij. Mijn grote voorbeeld, mijn lievelingsmens, was meegenomen door een onaantastbare spirit. Of was hij niet geslagen en verslagen door die wereld waar hij al jaren in verstrengeld was geraakt? Na een week kregen we aan de keukentafel uitleg van twee heren van de GGZ Tilburg. Ze legde ons uit dat mijn vader mogelijk bipolair is. Door de psychose was dit bloot komen te liggen. Ineens werd de fantasie van mijn vader, zijn enthousiasme die hij kreeg van passies die hij uitvoerde, zijn volle overgave voor hard werken en zijn inlevingsvermogen aan de tand gevoeld en werden zijn grootste superkrachten gezien als een gevaar voor zijn gezondheid en dat van zijn naasten. De mannen vertelde ons dat het daarom beter was als mijn vader medicatie zou slikken. Daardoor zou hij de komende maanden ander gedrag vertonen, maar daarna zou hij weer langzaam de oude worden. De medicatie zou hij de rest van zijn leven moeten gebruiken, maar dan zou het leven wel draaglijker worden voor iedereen. We moesten accepteren dat dit op dit moment de beste beslissing was. De mannen waren niet onvriendelijk, ze probeerde hier en daar met humor het geheel te relativeren, maar voor mij was dit alles te snel besloten. Was dit alles nodig om mijn vader en ons als gezin te helpen? Hadden ze niet even kunnen wachten tot de paniek was opgeklaard? Zagen ze het verband niet tussen de overdosis toegediend door die dronkenlap van een huisarts en de psychose? Ik nam geen vrede met dit besluit, maar ik was veertien jaar en had ook geen oplossing of een verklaring. Dus ik verzonk in mijn eigen gedachten. Ik vluchtte naar binnen. Gamen werd een obsessie, mijn escape uit de echte wereld. School was niet meer belangrijk. Manager worden verbande ik uit mijn dromenboek. Mijn ambitie om een kopie van mijn vader te worden verdween in dat jaar uit mijn systeem. Ik keerde me af tegen mijn eigen dromen. In de eerste maanden probeerde ik nog met mijn broer, zus en moeder contact te maken, maar uiteindelijk werd dit steeds moeizamer. Ook mijn batterij was op. Net als die van mijn vader en moeder. Mijn broer en zus waren net wat jonger en kregen van dit alles waarschijnlijk genoeg mee maar het kind in hun was nog genoeg aanwezig om niet alles te begrijpen van wat er gebeurde. En toch werd het stil in huis. Er was geen muziek meer in de Tamboerijnlaan in de wintermaanden van het jaar 2001 en 2002.
Ik werd weer teruggezogen naar het nu en daar zat ik dan tegenover Chris. Waarschijnlijk was deze jongen voor soortgelijke uitdagingen komen te staan in het leven. De verwachtingen die door zijn ouders, maar waarschijnlijk ook door zichzelf, waren opgelegd om het imperium van zijn ouders voor te zetten hadden zijn tol geeist. En nu moest hij zijn leven even vanuit een ander perspectief gaan bekijken door deze beziningstocht te lopen. Hij had er alleen minder lang de tijd voor dan ik. Ik wenste hem daarom een goede reis, want zijn tijdschema zou ik waarschijnlijk niet lopen en deze jongen nooit meer zien.
Ondanks de aanhoudende storm besloot ik toch te gaan lopen. De wind had de wolken naar zee verdreven en het zag er niet naar uit dat er een nieuwe depressie of onweersbui zou opsteken. De bergpas was dan wel afgesloten, maar ik zou op mijn route nog meer mooie etappes lopen dus ik zou me door deze omleiding niet laten ontmoedigen. Ik voelde me ondanks de slechte nachtrust energiek en met een grote glimlach liep ik onder de poort door en zag ik de eerste groene berghellingen al opdoemen. De klim werd meteen ingezet en ik nam een flinke looppas aan. Tegen iedereen die ik tegenkwam zei ik bonjour. Een goed gesprek zat er verder niet in want mijn looppas was veel sneller dan die van menig pelgrimscollega. Uren bleef ik lopen, alsof ik bezig was aan de marathon. Ik dronk veel water en at mijn ontbijt en mueslirepen. Het leek wel of ik vloog en bij ieder persoon die ik tegen kwam bleef ik vriendelijk bonjour zeggen. Op een gegeven moment passeerde ik niemand meer en even vroeg ik me af of ik niet verkeerd was gelopen. Zeker een half uur zag ik niemand, buiten een paar auto’s die me tegemoet reden. Ik ging zitten op een dranghek langs de weg en pakte mijn reisgids voor het eerst uit mijn rugzaak. Toen ik mijn rugzak af deed merkte ik eigenlijk pas op hoe zwaar die aanvoelde en hoe bezweet ik was. Ik wilde ook mijn hoofd checken en mijn hoed af doen, maar dat vissershoedje was blijkbaar al afgedaan. Waar is die blauwe hoed? Ik keek om me heen, checkte mijn tas en liep een paar meter terug om te kijken of die niet was weggewaaid tijdens het afdoen van mijn rugzak. Helaas, deze hoed was meegenomen door Aeolus, de god van de wind. Ik nam weer plaats op het hek en nam de laatste slok uit mijn bidon en keek naar de weg voor me. De toppen van de berg waren nog ver weg en ik wist dat ik die voorbij moest om in Roncesvalles aan te komen. Aan de stad van de zon wist ik ook zeker dat ik die kant op moest. Op dat moment kwam er een oude fietser de bocht om op een oude rode racefiets die me deed denken aan mijn eigen blauwe oldtimer fiets in Dongen. Ik begroette hem met een bonjour en de oude vriendelijke man zei: “Ola pelerino! Que tal? Estás en el camino equivocado, pero así es como se llega allí. Mucha suerte. Buen Camino.” Ik begreep niks van zijn Spaans maar knikte vriendelijk en keek hem na hoe hij verder reed, de helling af. Toen ik hem zag verdwijnen achter een groot gebouw waarop Spaanse en Franse vlaggen stonden zag ik pas de tekst Douane France: Bienvenue en France. Ik stond versteld. Een kwartier geleden was ik de grens gepasseerd zonder dat ik het door had. Hoe had ik dit kunnen missen? Ik ging terug in mijn korte termijngeheugen en ik kwam er al snel achter dat ik me maar weinig dingen kon herinneren van hetgeen dat ik op mijn pad was tegen gekomen. Toen ik Saint-Jean-Pied-De-Port had verlaten had ik schapen en bergen gezien, maar de uren daarna herinnerde ik me vooral het geluid van mijn eigen voetstappen en het zien van asfalt. Was ik er wel bij? Had ik daarom niet opgemerkt dat mijn hoed was weggewaaid? Had ik dan toch de markering gemist die het juiste pad aanwees?
Ik liep terug langs de douane en zag aan de andere kant het woord Aduanas, Bienvenidos a España. Als een echte doler was ik de grens overgestoken zonder dat iemand mij had opgemerkt. Geen paspoortcontrole, geen vragen of ik iets aan te geven had, geen vraag wat überhaupt mijn idee achter dit hele wandelen was. Ik was gewoon onopgemerkt de grens gepasseerd zonder dat iemand zich daar druk om maakte. Ik bleef even staan en mijn gedachten gingen terug naar dat artikel over de jonge Alan Kurdi. Zijn vader was wel opgemerkt en na de tragedie op zee opgepakt door de marine van Griekenland. Vader Abdullah Kurdi had het “beloofde land” wel bereikt. Voor doorgang had hij alleen een flinke tol moeten betalen aan Poseidon. Naast zijn jongste zoon verloor hij die noodlottige nacht ook zijn oudere zoon van vijf jaar, Galip, en zijn vrouw Rehan. Abdullah werd nog dagenlang ondervraagd door douaniers en vreemdelingenpolitie. Tijd voor rouwen was er niet geweest. Het trauma zou nooit meer verwerkt worden.
Ik hou mezelf vast aan de reling van de weg, krijg een droge mond en merk dan pas op hoe moe ik ben. Even dreig ik neer te gaan, maar dan word ik weer teruggebracht naar de realiteit. “Hi Rob, what ar you doing there man! The right way is over here. The real camino is here, or are you waiting for the bus to the nearest airport?” Ik zie de goedlachse Chris vijftig meter bij me vandaan met een grote drinkfles water. Hij reikt zijn fles naar me uit en wuift me dat ik hem moet volgen. Langzaam kom ik weer in gang, omhels mijn Grieks-Duitse tafelgenoot van de avond ervoor en neem zijn waterfles uit zijn handen. “Come on man, we are almost there! It’s only this Mountain between us and our place to rest.” De energie stroomt weer door mijn lichaam en de wind lijkt wel van richting te zijn veranderd en geeft me nu een duwtje in de rug. Vamos a Roncesvalles! Este es el Camino Real!

We leren niet van onze fouten. Ook gisteren, nota bene op de dag van verdraagzaamheid, worden er weer beslissingen gemaakt waarvan je haren overeind gaan staan. Toch probeer ik het te relativeren, want het is ook niet makkelijk om het juiste te doen. Iedereen heeft zijn eigen verhaal, iedereen leeft zijn eigen legende. Daarom wil ik dit verhaal afsluiten met het woord sorry.
Sorry dat ik een mens ben die fouten maakt en in de toekomst fouten gaat maken. Hopelijk kunnen jullie mij als imperfect mens toch verdragen dan probeer ik dat ook bij jullie. “(Try To) Do The Right Thing!”

Foto gemaakt door Chris op 16 september 2015
Geef een reactie op Jeannete Schellekens Reactie annuleren